“Waar is jouw kindje?”

Het meisje moet een jaar of vijf zijn. Met haar korte beentjes trapt ze energiek het fietsje – met ondersteunende zijwieltjes – vooruit zoals alleen kleuters dat kunnen doen. Aan mijn voordeur op het pleintje, waar ik net de bloemen aan het gieten ben, houdt ze halt. Ik ken haar. Het is een guitig kind, een buurmeisje van verderop. Haar mama komt er in de verte aan. Ze probeert haar snelle dochter bij te benen.

De kleine fietser begroet me: “Hallo!” En dan in één adem: “ Waar is jouw kindje?” Het gebeurt wel vaker dat jongere kinderen mij dat vragen. Kindjes van vriendinnen bijvoorbeeld. En dan kan ik niet anders dan antwoorden: “Ik heb geen kindje.” Dat zeg ik zonder drama, het is gewoon zo. Zo doe ik het ook deze keer. Maar het meisje neemt niet zomaar genoegen met mijn antwoord. Terwijl haar mama nog komt aangelopen kijkt ze mij een moment bedachtzaam aan en vraagt dan: “Maar … ben jij dan helemaal alléééén?” De kleine koter had net zo goed een dolk in mijn hart kunnen steken en het mes nog even ronddraaien. Ik sta met mijn mond vol tanden en laat de gieter bijna uit mijn handen vallen.

Haar mama heeft haar ondertussen bijgebeend en zegt vriendelijk goeiedag. Ik glimlach, maar voel de dolk nog in mijn hart steken. De buurvrouw heeft geen idee van de woorden die net uitgesproken zijn tussen mij en haar vijfjarige. Het meisje kan er niet aan doen dat haar vraag me zo raakt. Kinderen zijn doorgaans de enigen die onverhuld zeggen wat ze observeren (en daar nog mee wegkomen). Zoals in het sprookje “De kleren van de Keizer” waarin het kleine jongetje de enige is die durft zeggen dat zijne hoogheid in zijn blote flikker op straat loopt. Het buurmeisje is pienter. In haar leefwereld heb je mama’s en papa’s en kindjes. Elke vrouw is in haar ogen een mama. En iedereen heeft een gezin. En dan komt ze mij tegen, zonder kindje. Er is zelfs geen papa in de buurt. Dus ben ik helemaal alleen. Ja, toch? Plain truth.

Het moment vervliegt en ze fietst alweer vrolijk weg terwijl haar mama de achtervolging weer moet inzetten. Ik ga mijn huisje binnen en laat de deur achter mij dichtvallen. “Ben jij dan helemaal alléééén?” blijft het nagalmen in mijn hoofd. Met een lange galm op ‘allééééééééén’. Een existentiële vraag, gesteld door een fietsende kleuter. Het filosofische antwoord zou kunnen zijn dat we in wezen allemaal alleen zijn, al vind ik dat een nogal triestige manier om naar het leven te kijken. Ik zie me dat al antwoorden aan het kind (niet dus). Zo van “Weet je meisje, eigenijk zijn we allemaal alléééén. Ja, jij ook kindje.”

Maar ik weet natuurlijk al te goed wat het kleine meisje bedoelt. Ik heb geen eigen gezin. Het ziet er onderhand echt wel naar uit dat mijn takje in de stamboom eindig is (en dat bedoel ik echt niet zielig, het is gewoon een feit). Mijn huisje is maar af en toe gevuld met andere stemmen. Terwijl mama’s en papa’s vaak alleen maar kunnen dromen van wat rust en stilte, geniet ik dan weer van die zeldzame momenten dat alle stoelen rond mijn eettafel ingenomen zijn en ik mijn keuken lekker overhoop kan zetten. Mijn huisje voelt dan zelfs anders aan. Ook als het gezelschap net weer vertrokken is en ik aan de afwas sta, voel ik de aanwezigheid nog. Maar dan ebt dat gevoel onvermijdelijk weer weg.

Vreemd eigenlijk, ik ging er als kind en tiener van uit dat ik een gezin zou hebben later. Dat leek zo vanzelfsprekend. Je komt de ware tegen, wordt verliefd en je krijgt samen kinderen. Maar later kwam en dan leer je dat ‘later’ de dingen vaak anders lopen dan je gedacht of gehoopt had. Ook voor veel andere mensen. Zo kan het zijn dat je die grote liefde gewoon niet tegenkomt, niet opmerkt of niet toelaat. Misschien komt het nog, misschien ook niet. Ik probeer vaste ideeën over hoe het leven zogezegd hoort te lopen zoveel mogelijk los te laten. Het leven is grillig. En dat bedoel ik niet alleen negatief, want grillig kan ook fantastisch verrassend zijn.

Geen haar op mijn hoofd heeft er ooit aan gedacht om in mijn eentje aan het moederschap te beginnen. Hoedje af voor wie dat wel doet, maar het koud zweet breekt mij uit bij de gedachte alleen al. Want ik zie ook wel rond mij dat mama of papa zijn geen grote roze wolk is, en zeker niet als je dat in je eentje moet doen. Maar ik mis ook heel veel, dat besef is er zeker. Doorgaans zweeft dat besef ergens op de achtergrond van mijn leven dat nu eenmaal anders is. Anders, en daarom niet slechter of beter dan voor een mama of papa. Maar af en toe steekt het eens, zoals nu door toedoen van het kleine fietsende buurmeisje.

Ik trek de dolk uit mijn hart, stelp de wonde nog even, pak mijn moed bijeen. Het gaat alweer. Ik ga verder op het grillige pad.

 

 

 

6 gedachten over ““Waar is jouw kindje?”

Voeg uw reactie toe

  1. Hoi. Wauw. Heel tof geschreven. De stijl greep me echt even vast.
    “Ik probeer vaste ideeën over hoe het leven zogezegd hoort te lopen zoveel mogelijk los te laten. Het leven is grillig. En dat bedoel ik niet alleen negatief, want grillig kan ook fantastisch verrassend zijn.”
    Ik kan me hier helemaal bij aansluiten. Wat een verfrissende kijk op het leven. Het is inderdaad best om niet te veel stil te staan bij hoe je dacht dat het moest zijn en het gewoon te laten gebeuren. Als je het probeert te forceren lukt het ook niet.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: